Goedenavond allemaal, en welkom bij een bijzondere uitzending. Elke laatste uitzending van de maand transformeren wij, deMuziekExperts, naar ‘deDiscografievan…’ het programma waarin we ons onderdompelen in het muzikale werk van één artiest of band.
Niet alleen de bekende hits passeren de revue, want juist de minder bekende parels draaien we vandaag vol overtuiging.
Dat wisselen we af met verhalen, anekdotes en achtergrondinformatie, niet alleen over de artiest of band zelf, maar ook over de nummers die we laten horen. Onze vaste rubrieken laten we deze uitzending even links liggen; vanavond draait alles om de muziek.
En deze maand staat er een grote in de schijnwerpers: Fleetwood Mac. Van de ruige, bluesy jaren met Peter Green tot de wereldberoemde popband met Stevie Nicks en Lindsey Buckingham. Piet duikt in de oude, originele Fleetwood Mac, en ik, Bas, neem jullie mee door de nieuwe, latere variant. Een avond vol muziek, verhalen en ontdekkingen — welkom bij deDiscografievan Fleetwood Mac!
Dat was Fleetwood Mac met Oh Well, geschreven door Peter Green en gebouwd rond een gitaarriff die nauwelijks ademhaalt voordat hij alweer toeslaat. Het nummer verscheen in 1969 en bestaat eigenlijk uit twee verschillende werelden. Het eerste deel is kort, hard en elektrisch: droge zang, felle gitaar en een ritme dat meteen vooruit wil. Het tweede deel is veel langer, grotendeels instrumentaal en bijna filmisch, met akoestische gitaar, blokfluitachtige klanken en een sfeer die alle haast uit de kamer haalt.
Die tegenstelling laat goed horen hoe breed Peter Green toen al dacht. Fleetwood Mac was niet alleen een bluesband die stevig kon spelen; Green wilde ook ruimte maken voor stilte, spanning en klassieke invloeden. De band kon in één nummer zowel de deur intrappen als voorzichtig door het raam naar buiten kijken.
In Nederland werd Oh Well een nummer 1-hit. Op 1 november 1969 werd het bovendien de allereerste Alarmschijf van Radio Veronica.
Daarmee is dit niet alleen een van de sterkste platen uit de vroege Fleetwood Mac-periode, maar ook een stukje Nederlandse radiogeschiedenis: een riff als een stormram, gevolgd door muziek die ineens de gordijnen dichttrekt.
Dat was Fleetwood Mac met Rattlesnake Shake, afkomstig van het album Then Play On uit 1969. Peter Green schreef en zong het nummer, maar het is vooral een opname waarop de hele band als één zwaar rollende machine klinkt. John McVie legt een diepe, beweeglijke bas neer en Mick Fleetwood speelt een ritme dat voortdurend lijkt te duwen en te schudden. De titel en tekst zitten vol dubbelzinnigheden, maar muzikaal draait het vooral om spanning, ritme en improvisatie.
Als single bleef Rattlesnake Shake in Nederland in de Tipparade steken. Op het podium kreeg het nummer echter een tweede leven. Fleetwood Mac kon het tijdens concerten uitrekken tot lange jams van twintig minuten of meer, waarin Green, Danny Kirwan en de ritmesectie steeds verder van de studioversie afdwaalden.
Juist daarom hoort dit nummer thuis in een overzicht van de eerste bezetting. Het laat horen dat Fleetwood Mac toen geen keurige hitmachine was, maar een avontuurlijke liveband: ruwe blues aan de basis, psychedelische rock erbovenop en genoeg ruimte om onderweg compleet de weg kwijt te raken — maar dan wel muzikaal verantwoord. En juist daarin lag toen hun grootste kracht.
Dat was Fleetwood Mac met de oorspronkelijke versie van Black Magic Woman. Peter Green schreef het nummer en de band bracht het in 1968 uit als single. Het werd in Groot-Brittannië een bescheiden hit, maar groeide later uit tot een van Greens bekendste composities. De kracht zit niet in volume of snelheid, maar in beheersing. De mineurakkoorden, het trage ritme en Greens zuinige gitaarspel geven het nummer een donkere, bijna bezwerende sfeer.
Twee jaar later maakte Santana er een veel grotere internationale hit van. Carlos Santana koppelde Black Magic Woman aan Gypsy Queen en voegde Latin-percussie en een warmer, dansbaarder geluid toe. Daardoor denken veel mensen eerst aan Santana, terwijl de melodie, tekst en dreiging uit de wereld van Peter Green komen.
De bandgeschiedenis kreeg later een mooi slotakkoord: in 1998 speelde Green het nummer samen met Santana bij zijn inhuldiging in de Rock and Roll Hall of Fame. Black Magic Woman werd dus groter dan Fleetwood Mac zelf, maar de kern bleef herkenbaar: weinig noten, veel gevoel en een gitarist die precies wist wanneer hij níét moest spelen. Dat is minder spelen, maar veel meer zeggen.
Dat was Fleetwood Mac met Need Your Love So Bad. Het nummer was al in 1955 opgenomen door de Amerikaanse rhythm-and-blueszanger Little Willie John, maar Fleetwood Mac gaf het in 1968 een heel eigen karakter. Peter Green zingt hier niet als een stoere bluesman die zijn verdriet probeert weg te lachen. Hij klinkt klein, kwetsbaar en werkelijk afhankelijk van degene tot wie hij zich richt.
Ook zijn gitaarspel is opvallend beheerst. Green laat stiltes vallen, trekt noten langzaam open en gebruikt geen solo om indruk te maken, maar om het verhaal verder te vertellen. Producer Mike Vernon liet strijkers toevoegen, waardoor de opname een bijzonder mengsel werd van Britse blues, soul en bijna romantische pop.
In Nederland sloeg die combinatie sterk aan. Need Your Love So Bad bereikte nummer 7 in de Top 40 en bleef 21 weken genoteerd. Daarmee werd het een van de grootste Nederlandse successen van de eerste Fleetwood Mac.
Dit nummer laat misschien wel het duidelijkst horen waarom Peter Green zo geliefd bleef: hij hoefde niet te schreeuwen om intens te klinken. Eén gebogen gitaarnoot en je wist eigenlijk al genoeg.
Dat was Fleetwood Mac met Albatross, de instrumentale compositie waarmee Peter Green in 1968 bewees dat stilte soms harder kan binnenkomen dan een complete muur van gitaren. Het nummer heeft geen zang, geen traditioneel refrein en nauwelijks een duidelijke climax. Toch roept het binnen enkele seconden een volledig landschap op: een kalme zee, langzaam bewegende lucht en een vogel die zonder zichtbare inspanning boven het water blijft hangen.
De gitaren van Green en Danny Kirwan schuiven behoedzaam langs elkaar. John McVie houdt met zijn bas de bodem vast, terwijl Mick Fleetwood met zachte slagen en cimbalen een bijna golvende beweging maakt. Alles draait om ruimte, timing en klank.
Albatross werd een nummer 1-hit in Groot-Brittannië. In Nederland bereikte de oorspronkelijke uitgave nummer 4; bij de heruitgave in 1973 kwam het nummer zelfs tot plaats 2. Daarmee bracht Fleetwood Mac instrumentale blues naar een veel groter publiek.
Het bijzondere is dat de band vrijwel niets forceert. Geen grote solo, geen dramatische uithaal. Alleen beheersing. Drie minuten waarin ogenschijnlijk weinig gebeurt, terwijl de hele sfeer langzaam onder je huid kruipt. Precies daardoor blijft het nummer zo tijdloos klinken.
Dat was Fleetwood Mac met The Green Manalishi, With the Two Prong Crown, de laatste single die Peter Green in 1970 als bandlid met Fleetwood Mac opnam. Het nummer ontstond uit een angstige droom waarin Green een groene hond zag. Hij legde uit dat die figuur verbonden raakte met geld, hebzucht en de manier waarop bezit mensen kan beheersen.
Dat maakt de tekst beklemmend. Dit is geen uitstapje naar mystiek of fantasie, maar muziek uit een hoofd dat minder rust vond. De zware riff, schurende gitaren en spookachtige achtergrondgeluiden versterken dat gevoel. Zelfs de titel klinkt alsof er iets voor de deur staat dat je liever niet binnenlaat.
De single bereikte nummer 10 in Groot-Brittannië en nummer 8 in Nederland. Toen het nummer hier in de Top 40 stond, had Green Fleetwood Mac al verlaten. Daardoor kreeg de plaat achteraf de betekenis van een afscheid.
The Green Manalishi laat horen hoe ver Green zich van de traditionele blues had verwijderd. Het is zwaar, psychedelisch en dreigend: een eindpunt van de eerste Fleetwood Mac, maar ook een blik vooruit naar hardere rock. Judas Priest zou het nummer later jarenlang blijven spelen.
We gaan meteen vol gas verder, want na die rustige klanken waarmee we deel één afsloten, verras ik jullie nu met iets heel anders.
Dit is Fleetwood Mac met Go Your Own Way, van het album Rumours uit 1977. Eigenlijk is dit een woedende liefdesbrief.
Gitarist Lindsey Buckingham schreef het over zijn breuk met bandgenote Stevie Nicks, en spaarde haar niet: hij beschuldigt haar er zo goed als openlijk van steeds nieuwe mannen te versieren. Stevie vond dat onterecht en kwetsend, en moest het toch elke avond meezingen.
Ook muzikaal is het bijzonder: het opzwepende drumpatroon van Mick Fleetwood ontstond per ongeluk, omdat hij het tomtom-idee van Lindsey verkeerd begreep. Precies dat foutje werd de stuwende kracht achter een van de grootste rocksingles van de jaren zeventig. Zet je schrap, hier komt Go Your Own Way.
Van pure woede naar pure magie. We blijven in dezelfde explosieve sfeer, maar Stevie Nicks neemt nu zelf het woord met haar allereerste grote Fleetwood Mac-hit: Rhiannon, van het gelijknamige album uit 1975.
Stevie schreef het nummer in amper tien minuten, nadat ze in een boekje genaamd Triad een personage tegenkwam dat bezeten raakte door een geest met die naam.
Pas later, jaren later zelfs, ontdekte ze dat Rhiannon ook echt bestaat: een Welshe godin uit de Mabinogion, godin van paarden en vogels, die op je pad verschijnt als er gevaar dreigt. Stevie wist daar niets van toen ze het schreef, en toch klopte alles precies.
Ze noemde het zelf later een lied over een vrouw die zich door niemand laat vastbinden, altijd in beweging, altijd vluchtig als de wind. Het werd haar handtekeningnummer binnen de band.
Waar Lindsey met Go Your Own Way de aanval opende, gaf Stevie Nicks daarna het perfecte antwoord: Dreams, van Rumours uit 1977, en tot op vandaag het enige nummer waarmee Fleetwood Mac de nummer één in Amerika haalde.
Stevie schreef het in een studio in Sausalito, in een gek zwart-rood vertrek dat eigenlijk van Sly Stone was, terwijl ze op een fluwelen bed zat met een klein cassettertje. Binnen tien minuten stond het er. Ze liep terug naar de bandleden en zei doodleuk: luister eens, ik denk dat ik iets heb wat jullie willen horen.
Waar Lindsey haar in zijn nummer beschuldigde, bleef Stevie juist sereen en filosofisch: ze zingt over onweer en regen die alles relativeren, zonder ooit echt bitter te worden.
Veertig jaar later kreeg het nummer trouwens een tweede leven, dankzij een viral video van iemand die skateboardend cranberrysap dronk.
We reizen nu terug in de tijd, met Gypsy, van het album Mirage uit 1982.
Stevie Nicks schreef dit nummer al rond 1979, als een nostalgische blik terug op haar armlastige jaren met Lindsey Buckingham in San Francisco, toen ze haar matras van bed af op de vloer legde en zich weer helemaal zichzelf voelde.
Maar tegen de tijd dat het nummer werd opgenomen, kreeg het een veel zwaardere lading.
Haar beste vriendin Robin Anderson lag op dat moment op sterven aan leukemie, en er kwam een zin bij die Stevie speciaal aan haar wijdde, over Robins stralende ogen die ze nog altijd voor zich ziet. Robin overleed kort na de release, en Stevie trouwde later, uit verantwoordelijkheidsgevoel, zelfs kort met Robins achtergebleven man.
Gypsy is dus tegelijk een lied over vrijheid en over verlies, en bleef Stevies meest gespeelde nummer van dit album.
Tijd voor een andere kant van de band: Christine McVie, met Little Lies, van het album Tango in the Night uit 1987.
Christine schreef het samen met haar toenmalige man Eddy Quintela, al zei ze later zelf tegen Mojo dat zijn bijdrage minimaal was en dat de tekst niet over hem ging. Veel aannemelijker is dat het lied teruggrijpt op haar eerdere, stukgelopen huwelijk met bandgenoot John McVie: een liefde die voorbij is, maar waarbij je toch liever een troostende leugen hoort dan de harde waarheid, met Lindsey Buckingham en Stevie Nicks op de achtergrondharmonieën.
Het werd Fleetwood Macs laatste top tien hit in Amerika en Christines eerste top tien notering ooit als zangeres in eigen land Engeland. Bijna tien jaar na Rumours bewees de band dat ze nog steeds wisten hoe je een hit schrijft.
En dan sluiten we dit blok af zoals het hoort: groots en positief, met Don’t Stop, van het album Rumours uit 1977.
Ook dit nummer gaat over een uit elkaar vallend huwelijk binnen de band, dat van Christine en bassist John McVie. Maar in tegenstelling tot Go Your Own Way is er hier geen wrok te bespeuren. Christine zingt dat het verleden voorbij is, en kijkt daarmee bewust vooruit in plaats van achterom.
Dat optimisme sloeg ook aan buiten de band: in 1992 gebruikte Bill Clinton het als campagnelied voor zijn presidentschap, en na zijn overwinning haalde hij de toen uit elkaar liggende klassieke bezetting van Fleetwood Mac zelfs terug bij elkaar voor één avond, om het nummer live te spelen op zijn inaugurele bal.
Een lied over loslaten dat uiteindelijk een heel land vooruit hielp kijken.
En met al deze nummers van Fleetwood Mac zijn we aan het einde gekomen van deze zesde aflevering van deDiscografievan…, de spin-off van deMuziekExperts live op BR6.
We hoorden Fleetwood Mac als ruige, avontuurlijke bluesband rond Peter Green, met bezwerende gitaarwerken als Albatross en Black Magic Woman en de kwetsbare blues van Need Your Love So Bad. Daarna zagen we diezelfde band uitgroeien tot een van de grootste popacts ter wereld: van het liefdesverdriet dat Rumours tot een klassieker maakte, tot de glinsterende jaren-tachtigpop van Tango in the Night.
Dank voor het luisteren naar deze zesde aflevering van deDiscografievan…. Meer informatie over deMuziekExperts, eerdere uitzendingen, playlists, fragmenten en alles rond het programma vind je op.
Volgende week zijn we er weer met een reguliere uitzending van deMuziekExperts, zoals vertrouwd op dinsdagavond om 20:00 uur en zaterdagochtend om 11:00 uur.
De volgende aflevering van ‘deDiscografievan…’ volgt 25 augustus. Wie er dan in de spotlights staat, houden we nog even geheim.
Voor nu: bedankt voor het luisteren, graag tot volgende week, en blijf vooral genieten van muziek met een verhaal.
Vakantie lijkt steeds meer op een survivaloefening
00:00
00:00
Vrije tijd klinkt als ruimte, maar we behandelen haar steeds vaker als een project.
Voor we weggaan, vergelijken we bestemmingen, beoordelingen, temperaturen, wachtrijen, bagageregels en de beste plek voor een foto bij zonsondergang.
Wie alles goed voorbereidt, zou maximaal moeten ontspannen. Alleen werkt ontspanning niet altijd volgens een draaiboek.
Hoe meer verwachtingen we meenemen, hoe groter de kans dat een vertraagde trein, een gesloten museum of een dag regen voelt als een mislukking.
Daar komt nog iets bij. Via sociale media kijken we voortdurend mee met de vakantie van een ander. Hun zee is blauwer, hun hotelkamer ruimer en hun kinderen lijken op elke foto voorbeeldig. Het is gemakkelijk te vergeten dat ook die beelden geselecteerd zijn.
Misschien begint uitrusten daarom niet bij de perfecte bestemming, maar bij het loslaten van het idee dat elke vakantiedag iets moet opleveren. Geen bewijsdrang, geen wedstrijd en geen rapportcijfer achteraf. Gewoon ergens zijn en merken wat er gebeurt. Met die gedachte komen we bij de uitspraakcolumn van vandaag.
Vakantie is eropuit trekken en even niets hoeven van mensen die je een paar weken niet ziet, zoals collega’s en buren. Dat verschilt per persoon.
Ik ben vaak tevreden met weinig mensen om me heen. Als ik met een partner, vrienden of familie op pad ga, vermaak ik me met landschappen, lezen, wandelen, fietsen, fotograferen en oude stadscentra, afgewisseld met rust, goed eten en drinken.
Iedereen mag zijn kostbare vakantiedagen zelf invullen. Mensen hebben meestal behoefte aan contact, maar de mate waarin verschilt. Voor de vakantie worden we via televisie, TikTok en reisorganisaties overladen met tips en aanbiedingen. De reiziger is tenslotte ook een klant.
Dan de titel: vakantie vieren lijkt steeds meer op een survivaltocht. We bereiden alles voor, te beginnen met de bagage. Hoeveel kleding? Wel of geen wandelstokken of powerbank? Wie vliegt, doet er goed aan vooraf de bagageregels te controleren. Die verschillen per maatschappij en extra bagage kan geld kosten.
Neem dus mee wat je nodig hebt en laat je niet gek maken door adviseurs. Dat geldt ook voor de caravan of een huisje.
Kies een bestemming en bekijk wat je daar wilt zien en beleven. Concentreer je daarop, dan wordt het materiële vanzelf minder belangrijk. Let wel op het weer, natuurbrandgevaar, stormwaarschuwingen en de kwaliteit van zwemwater. Dat hoort bij een goede voorbereiding. Op vakantie doe je ook gewone dingen: slapen, eten, drinken en soms op je telefoon of televisie kijken.
Durf ook zonder apparaten het landschap in te gaan en geef je eigen ogen en gevoel weer voorrang.
Ons motto als slot: twijfel niet over survivallen, maar vier de vakantie vanuit je zelfgekozen suite.
Sport is allang niet meer alleen wat er op het veld gebeurt.
Een wedstrijd is ook een televisieproduct, een stroom beelden en tegenwoordig zelfs een eindeloze voorraad korte filmpjes.
De camera kiest wie een held wordt, welke emotie wordt uitvergroot en welk moment nog dagen blijft rondgaan.
Dat is niet per se verkeerd.
Zonder sterke beelden zouden we veel sportprestaties nooit zo intens beleven.
Maar een camera registreert niet alleen, hij maakt ook keuzes.
Een vertraagde herhaling kan techniek laten zien, maar ook iemand reduceren tot een ongelukkig gebaar.
Een close up kan ontroeren, maar ook binnendringen in een moment dat misschien helemaal niet van ons is.
En sociale media halen zo’n beeld vervolgens uit zijn oorspronkelijke context.
Dan kijken miljoenen mensen niet meer naar een prestatie, maar naar een fragment waarop iedereen zijn eigen oordeel plakt.
De vraag is dus niet of sport zichtbaar mag zijn.
Natuurlijk moet dat.
De interessantere vraag is hoe we blijven kijken zonder de mens achter de prestatie kwijt te raken.
Daarover praat piet u nu bij..
Voor de vele sporten die mensen beoefenen, zijn gespecialiseerde kledingstukken en soorten schoeisel ontwikkeld, die steeds worden verbeterd. Sportkleding bedekt daarbij niet altijd het hele lichaam. Belangrijk is vooral dat de kleding goed zit, vocht afvoert en voldoende ventileert.
Een zichtbare trend is die van voetbalkousen waarin spelers zelf gaten knippen. Zij doen dit vooral om de druk van strakke kousen op hun kuiten te verminderen. Er is geen overtuigend bewijs dat dit hun prestaties verbetert. Bij de looponderdelen van de atletiek dragen sommige sporters juist hoge compressiekousen. Die geven druk en kunnen mogelijk helpen bij het herstel, maar het is niet bewezen dat sporters er sneller door lopen.
Het onderwerp uit de titel, seksualisering in de sport, heeft de laatste tijd aandacht gekregen door kritiek op de manier waarop wedstrijden en trainingen worden gefilmd. Vooral langdurige close-ups, lage camerastandpunten en vertraagde herhalingen die niets aan de sportieve uitleg toevoegen, kunnen ervoor zorgen dat vrouwelijke sporters niet alleen als sporter, maar ook als lichaam worden bekeken.
We moeten sporters blijven zien als mensen die in hun sport willen presteren. Dat sommige kijkers sportbeelden seksualiseren, zegt meer over de kijkers dan over de sporters. In onze samenleving moeten we hier respectvol mee omgaan en het onderwerp bespreken op scholen, in sportclubs, in de media en in de politiek. Het doel moet zijn dat sportbeelden niet onnodig worden geseksualiseerd.
Vergelijkbare zorgen bestaan bij ouders die foto’s of video’s van hun jonge kinderen online delen, bijvoorbeeld op het strand. Eenmaal online kunnen beelden snel worden gekopieerd, verspreid of misbruikt.
Dat bij sommige sporten weinig bedekkende kleding wordt gedragen, betekent niet dat die kleding daarom moet veranderen. De oplossing ligt niet vanzelfsprekend in meer bedekkende kleding. Wel moet iedereen respectvol in beeld komen en moet de nadruk liggen op de waardigheid, vrijheid en prestaties van sporters. Er hoeft niet verkrampt gefilmd te worden, maar wel alert: bijvoorbeeld door waar nodig ruimer te kaderen en bij valpartijen of loszittende kleding niet onnodig in te zoomen.
Zo kan onze open maatschappij open blijven, terwijl we mensen in hun waarde laten. Ook in de sport.
Particulier eigendom verdwijnt in de internettrechter
00:00
00:00
We hebben een rare gewoonte ontwikkeld: we noemen iets nog steeds van ons, terwijl we steeds vaker alleen toestemming krijgen om er even bij te mogen.
Dat gebeurt met films, muziek, software, boeken, en zeker ook met alles wat aan een account hangt.
Het is handig, snel en glimt mooi op een scherm, dus we nemen het voor lief. Totdat er iets verdwijnt.
Totdat een wachtwoord niet meer werkt, een server uitgaat of een bedrijf ineens andere voorwaarden heeft.
Dan merk je hoe stilletjes de taal is veranderd.
Kopen voelt als bezitten, maar juridisch blijkt het vaak huren met een glimlach.
Dat is niet alleen een technisch verhaal, maar ook een cultureel verhaal.
Want een samenleving zonder tastbare dingen wordt al snel een samenleving zonder sporen.
En wie nergens meer iets van vast kan houden, raakt ook iets kwijt in hoe hij zich verhoudt tot herinnering, ruil, verzameling en waarde.
We zijn niet alleen in een tijd van verwarring en oorlogen verzeild geraakt. We leven ook in een tijd waarin techniek tegelijk speelgoed, gereedschap en wapen is geworden. En op een ander vlak zijn wij als burgers slachtoffer zonder eraan dood te gaan: door de ontmenselijking van de maatschappij in een doorgeschoten computerwedloop.
Dat is inmiddels zelfs doorgedrongen tot mensen die techniek altijd omarmden. Over wie gaat dit dan? Over miljoenen spelers die al decennia genieten van spellen, kampioenschappen en hele werelden op een scherm. Maar daar schuift iets wezenlijks.
Sony heeft aangekondigd dat nieuwe PlayStation-games vanaf januari 2028 niet meer op fysieke discs verschijnen. En zowel bij PlayStation als bij Xbox staat zwart op wit dat een digitale aankoop in wezen een licentie is, geen eigendom. Je mag het gebruiken, maar het is niet echt van jou zoals een doos, een boek of een cd van jou is.
Zelfs in Europa, waar consumentenbescherming toch geen vies woord is, zegt de Europese Commissie nu dat zij niet zomaar wettelijk kan afdwingen dat games speelbaar blijven nadat ze van de markt worden gehaald. Er komt hooguit overleg over een vrijwillige gedragscode. Dat is veelzeggend. Het gaat dus niet alleen over ontspanning, maar over de verschuiving van bezit naar toestemming.
Natuurlijk scheelt dat producenten winkels, voorraad en grondstoffen. Maar in een tijd waarin het begrip ontspullen om zich heen grijpt, zijn er nog altijd mensen die juist willen vasthouden aan iets tastbaars. Omdat je met een voorwerp ook herinnering, ruil, ontmoeting en eigen regie bewaart. Een spel in de kast is meer dan data. Het is iets dat blijft, ook als servers zwijgen of voorwaarden veranderen.
Daarom verzetten spelers zich. Niet alleen uit nostalgie, maar omdat zij voelen dat hier iets groters meespeelt. Als alles verandert in toegang, wachtwoord en abonnement, dan leveren we ongemerkt een stuk vrijheid in. Geef mij dan maar de ballast van leuke spullen als spellen, muziekdragers, boeken en puzzels. Want dan blijft deze uitspraak fier overeind: zonder ballast heb je geen sturing meer en vlieg je weg.
Amerikaanse regering verkwanselt kennis en geschiedenis
00:00
00:00
Universiteiten worden vaak besproken alsof het alleen maar diploma-fabrieken zijn.
Alsof het gaat om rendement, doorstroom en een nette stapel cv’s.
Maar een universiteit hoort ook de plek te zijn waar een samenleving leert om twijfel te verdragen.
Waar mensen juist tijd krijgen om iets uit te zoeken dat nog niet meteen geld oplevert, stemmen wint of lekker bekt in een verkiezingsspotje.
En precies daar wringt het steeds vaker.
We leven in een tijd waarin bestuurders op veel terreinen haast verwarren met daadkracht.
Wie langzaam denkt, ligt eruit.
Wie nuanceert, klinkt verdacht.
Wie moeilijke vragen stelt, krijgt al snel het verwijt dat hij of zij buiten de werkelijkheid leeft.
Terwijl beschaving vaak juist begint bij mensen die niet meteen meelopen met het hardste geroep.
Cultuur van vanavond gaat daarom niet over een detail, maar over iets groters: wat er gebeurt als kennis haar rust verliest en macht gaat bepalen wat nog nuttig mag heten.
Deze afbraak is in deze tweede Trumptermijn begonnen. Wie het heeft bedacht is wel duidelijk, maar dat andere mensen deze decreten uitvoeren is dubieus en slecht voor de USA. Niet alleen voor dat land zelf, maar ook voor zijn reputatie in het buitenland.
Wat is er aan de hand? Door vermeende bezwaren tegen professoren, onderzoekers, diversiteitsbeleid en hele vakgebieden zijn onderzoeksteams opgeheven of in geldstromen beknot. Universiteiten worden onder politieke druk gezet om zich naar de agenda van Washington te voegen. Onderwerpen die door de machthebbers als te woke of te links worden gezien, komen sneller onder vuur te liggen.
Een gevolg hiervan is dat veel wetenschappers om zich heen kijken. Niet alleen in woorden, maar soms ook in daden. Europa probeert dat talent binnen te halen, en in Frankrijk zijn inmiddels daadwerkelijk tientallen onderzoekers uit de Verenigde Staten heen gegaan. Dat is voor ontvangende landen aantrekkelijk, want kennis, opleiding en onderzoek tillen een economie op.
Maar wat levert het de Verenigde Staten uiteindelijk op? Op korte termijn lijkt het geld te schelen als afdelingen worden gesloten en subsidies worden geschrapt. Op langere termijn raak je kennis kwijt, jaag je talent weg en tast je het vertrouwen in je eigen instellingen aan. Dat doet denken aan samenlevingen waarin geschiedenis en werkelijkheid steeds meer worden herschreven naar de smaak van de macht.
Die lijn zie je ook elders terug. Transgender militairen werden doelwit van beleid en rechtszaken, en in de Pentagon-opruiming van DEI-materiaal verdwenen zelfs pagina’s en beelden over zwarte militairen, vrouwen en historische pioniers. Daarnaast leven ook migranten met een tijdelijke legale status in grotere onzekerheid, doordat bescherming of verblijfszekerheid sneller kan worden ingetrokken.
In beide gevallen kun je spreken van een braindrain en van zelfbeschadiging. Een land verzwakt zichzelf als het tegelijk lager en hoger opgeleiden wegduwt, wantrouwen zaait tegen universiteiten en wetenschap als verdachte luxe behandelt. Dan hou je geen trotse kennisnatie over, maar een onrustig land dat zijn eigen fundament ondermijnt.
Laten we hopen dat de Amerikanen tijdig inzien dat dit een doodlopende weg is voor een land dat nog altijd groot is, maar zichzelf kleiner maakt als het zijn kennis verkwanselt.
Vroeger kon je aan een dorp vaak zien waar het ophield. Aan de laatste huizenrij. Aan een sloot. Aan een weiland met koeien die je aankeken alsof ze de gemeentebegroting persoonlijk hadden afgekeurd. Aan een spoorlijn, een brug, een dijk of een provinciale weg.
Een dorp groeide langs zichtbare grenzen. Je zag waar gebouwd werd, waar een nieuwe straat kwam, waar een bedrijfshal verscheen, waar ineens een bord stond met: “Hier komen woningen.” En dan wist je: daar gaat iets veranderen.
Maar de nieuwe grens van een dorp ligt niet altijd meer boven de grond. Die ligt steeds vaker eronder. Onder stoepen, onder klinkers, onder asfalt. In kabels, verdeelstations en transformatorhuisjes. In een wereld die je niet ziet, totdat die zegt: tot hier, en voorlopig niet verder.
Want we willen nogal wat. Meer woningen. Meer laadpalen. Meer warmtepompen. Meer zonnepanelen. Meer elektrische bedrijfswagens. Meer scholen die klaar zijn voor de toekomst. Meer bedrijven die willen verduurzamen. Meer comfort, meer groei, meer vooruitgang.
En dat is allemaal logisch. Niemand verlangt terug naar een tijd waarin je bij wijze van spreken nog met een kaars naar de koelkast moest. Al zou dat de energierekening wel spannend maken. Maar vooruitgang heeft stroom nodig. En precies daar begint het te knellen.
Sinds 1 juli is de vraag naar nieuwe of zwaardere stroomaansluitingen in gebieden met een vol elektriciteitsnet niet meer zomaar een kwestie van: aanvragen en aansluiten. Er wordt gekeken naar ruimte op het net. Naar wachtlijsten. Naar maatschappelijke prioriteit. Naar wat eerst moet, en wat misschien moet wachten. En ineens wordt iets abstracts heel lokaal.
Want ook in Bodegraven-Reeuwijk zijn er plannen genoeg. Het centrum van Bodegraven moet aantrekkelijker en leefbaarder worden, met meer woningen, betere voorzieningen en een openbare ruimte waar mensen graag verblijven. In de Oude Rijnzone wordt gekeken naar nieuwe woonbuurten, bedrijventerreinen, boerenerven en groene ontmoetingsplekken. En bij Het Groene Goud zijn ongeveer 150 woningen gepland, waaronder sociale huur en betaalbare koop.
Dat zijn geen papieren dromen. Dat zijn toekomstige voordeuren. Kinderkamers. Keukentafels. Mensen die ’s ochtends koffie zetten, hun telefoon opladen, de wasmachine aanzetten en hopen dat de verwarming het gewoon doet.
Maar de vraag bij nieuwe plannen wordt niet alleen meer: waar bouwen we? Of: hoeveel woningen komen erbij? Of: past het in het landschap? De vraag wordt ook: kan het stroomnet dit aan?
Dat klinkt technisch, maar het is eigenlijk heel menselijk. Want als het elektriciteitsnet vol zit, raakt dat niet alleen grote bedrijven of ingewikkelde projecten. Het raakt starters die wachten op een woning. Scholen die willen uitbreiden. Ondernemers die willen overstappen op elektrisch vervoer. Mensen die hun huis willen verduurzamen. Een dorp dat vooruit wil, maar merkt dat de ondergrondse infrastructuur niet in hetzelfde tempo meegroeit.
En natuurlijk: er wordt aan gewerkt. Netbeheerders breiden uit, overheden maken afspraken, er komen prioriteiten en nieuwe werkwijzen. Maar het maakt wel iets duidelijk. De toekomst van een dorp wordt niet alleen bepaald in de raadszaal, op de bouwtekening of bij een informatieavond met koffie uit zo’n kan die altijd nét te lang staat.
De toekomst wordt ook bepaald door kabels die niemand ziet. Misschien is dat de grote les van deze tijd. We kunnen niet alleen plannen maken alsof de basis vanzelf meebeweegt. Een wijk is niet alleen een rij woningen. Een bedrijventerrein is niet alleen grond met hallen. Een centrum is niet alleen winkels, woningen en parkeerplaatsen. Alles hangt aan systemen die vaak pas opvallen als ze vastlopen.
Dus als we praten over groei, moeten we ook praten over draagkracht. Niet alleen van bewoners, wegen en groen, maar ook van het stroomnet. Want een dorp kan nog zulke mooie ambities hebben, uiteindelijk moet het licht wel aan kunnen.
De nieuwe dorpsgrens staat misschien niet op een kaart. Er staat geen hek omheen, geen bordje bij, geen sloot met een bruggetje. Maar ergens onder onze voeten ligt een grens die steeds belangrijker wordt.
En misschien wordt de toekomst van Bodegraven-Reeuwijk straks niet alleen beslist door waar we bouwen, maar door de simpele vraag of de meterkast het nog trekt.
Soms zit de cultuur van een dorp niet in een theaterzaal, niet in een museum, en zelfs niet in een prachtig programmafoldertje met nét iets te kleine letters. Soms zit cultuur gewoon op een bankje.
Op een plek waar iemand even blijft zitten met een boodschappentas naast zich. Waar kinderen rondrennen alsof ze de Tour de France, het WK en de finale van Heel Holland Bakt tegelijk aan het winnen zijn. Waar een buurvrouw iemand groet die ze eigenlijk alleen kent van gezicht, maar toch al jaren. Waar iemand zijn hond uitlaat, waar iemand moppert over het weer, en waar iemand anders zegt: “Ach, het is wel goed voor de plantjes.” Want ja, dat is in Nederland altijd de troostprijs van regen.
We praten vaak over grote dingen als woningbouw, verkeer, veiligheid, parkeerdruk en leefbaarheid. Allemaal belangrijk. Maar soms begint leefbaarheid veel kleiner. Bij een boom die schaduw geeft. Bij een pad dat prettig voelt. Bij een speelplek waar ouders hun kinderen met een gerust hart laten spelen. Bij een stukje groen dat niet alleen groen is, maar een soort woonkamer zonder dak.
En misschien vergeten we dat we zulke plekken niet alleen moeten ontwerpen met linialen, plattegronden en vergadertafels. Je moet ze ook ontwerpen met herinneringen. Met kinderstemmen. Met buurtverhalen. Met mensen die weten waar de zon staat, waar het ’s avonds donker voelt, waar je graag zit, en waar je liever snel doorloopt.
En precies daarom is het interessant dat bewoners van Bodegraven-Noord mogen meedenken over de toekomst van het Rosarium. Op papier klinkt dat misschien klein: een parkje, een ontwerp, een bijeenkomst in het Huis van Alles. Maar eigenlijk gaat het over iets veel groters. Het gaat over de vraag hoe een wijk zichzelf ziet. Want een wijk is niet alleen een verzameling voordeuren. Een wijk leeft pas echt als er plekken zijn waar mensen elkaar kunnen ontmoeten zonder dat daar meteen een agenda, een toegangsbewijs of een QR-code aan hangt.
Het Rosarium moet volgens de plannen een groene, veilige en uitnodigende ontmoetingsplek worden. Dat zijn mooie woorden. Maar mooie woorden zijn een beetje als tuinmeubels in de folder: pas buiten merk je of ze echt lekker zitten. Daarom is het goed dat bewoners mogen meepraten. En vooral dat kinderen apart worden uitgenodigd. Want kinderen zijn vaak de beste ontwerpers van een buurt. Niet omdat ze verstand hebben van bestemmingsplannen, maar omdat ze precies weten waar je kunt rennen, waar je kunt verstoppen, waar je valt, waar je lacht en waar je liever niet komt omdat het “raar voelt”.
Dat het Rosarium al langer een plek is waar kinderen zich mee verbonden voelen, bleek jaren geleden ook al, toen leerlingen van de Da Costaschool aandacht vroegen voor hondenpoepoverlast. Dat klinkt misschien als klein nieuws, maar eigenlijk is het heel helder: kinderen zeiden toen al, op hun manier, “dit is ook onze plek”. En dat is precies waar lokale cultuur begint. Niet bij grote woorden, maar bij eigenaarschap. Bij het gevoel: dit stukje wijk hoort bij ons.
Daarom moet de toekomst van het Rosarium niet alleen gaan over nieuwe bankjes, betere paden of wat extra groen. Het moet gaan over de ziel van de plek. Wordt het een parkje waar je doorheen loopt, of een plek waar je blijft hangen? Wordt het netjes maar leeg, of levendig en vertrouwd? Wordt het ontworpen vóór bewoners, of mét bewoners?
Een goede ontmoetingsplek lost niet alles op. Een bankje voorkomt geen wereldproblemen. Was het maar zo simpel; dan hadden we de Verenigde Naties allang vervangen door een picknicktafel met twee prullenbakken. Maar een goede plek kan wel iets doen wat we vaak onderschatten: mensen uit hun huis halen. Kinderen ruimte geven. Ouderen een reden geven om even naar buiten te gaan. Buren de kans geven om van “die mevrouw van drie huizen verder” langzaam weer gewoon “buurvrouw” te worden.
En in een tijd waarin veel dorpen groeien, veranderen en verdichten, is dat misschien wel belangrijker dan ooit. Want je kunt woningen bouwen, straten herinrichten en parkeerplaatsen tellen tot je een ons weegt, maar een buurtgevoel kun je niet zomaar achteraf toevoegen. Dat moet je vanaf het begin meenemen.
Dus ja, het Rosarium is misschien maar één plek in Bodegraven-Noord. Maar soms kun je aan één plek zien hoe serieus we een hele wijk nemen.
Een dorp wordt niet alleen mooier van nieuwe stenen. Een dorp wordt mooier als er plekken blijven waar mensen elkaar tegenkomen, kinderen hun eigen wereld bouwen, en waar een bankje meer is dan een bankje.
Soms is dat bankje gewoon het kleinste dorpshuis van de wijk.
Eén hartelijk goedenavond, welkom weer bij uw eigenste Muziek Experts, alhoewel, vanavond is het weer tijd voor onze maandelijkse spinoff “deDiscografievan…“ en zoals altijd weer live op BR6
In deze uitzending duiken we zetten we niet zomaar iemand in de spotlights vanavond is dat een van de grootste namen uit de popgeschiedenis namelijk: Paul McCartney.
Natuurlijk kennen we hem als Beatle. Als de man achter melodieën die inmiddels bijna in het collectieve geheugen wonen. Maar Paul McCartney is veel meer dan alleen zijn Beatles-verleden. Na The Beatles bouwde hij met Wings aan een nieuw hoofdstuk, schreef hij filmthema’s, werkte hij samen met wereldsterren, dook hij terug in oude rock-’n-roll, maakte hij intieme standards en blijft hij ook nu nog nieuwe muziek uitbrengen.
Vanavond hoor je daarom een breed beeld van zijn werk. Solo, met Wings, met Michael Jackson, met The Beatles, en met nummers uit verschillende periodes van zijn lange carrière.*
We begonnen modern en energiek met “Save Us”, de opener van het album NEW, uitgebracht op 14 oktober 2013.
Het nummer is geschreven door Paul McCartney en Paul Epworth en werd ook door Epworth geproduceerd. Officiële McCartney-bronnen beschrijven NEW als een multi-produceralbum, maar bij dit nummer is de toewijzing helder: het kwam uit McCartneys eerste samenwerking met Epworth.
Een exacte trackopnamedatum is niet publiek gespecificeerd, maar McCartney vertelde op zijn officiële site dat het nummer ontstond in Epworths kleine studio in Londen, waar ze eerst gingen jammen en binnen ongeveer twintig minuten al de riff voor het lied hadden.
Dat maakt “Save Us” meteen ook een mooie anekdote: het was niet alleen de albumopener, maar volgens McCartney ook het eerste nummer dat uit die sessies voortkwam.
Het kreeg geen aparte, grote UK/US/NL-hitnotering als standalone track, maar McCartney debuteerde het live op 21 september 2013 op het iHeartRadio Music Festival, en een liveversie uit Tokyo Dome verscheen later op de NEW – Collector’s Edition van 27 oktober 2014.
Dit was “Hope of Deliverance”, eerst uitgebracht als single op 28 december 1992, vooruitlopend op het album Off the Ground, dat volgde op 2 februari 1993.
Het nummer is geschreven door Paul McCartney en geproduceerd door McCartney en Julian Mendelsohn. Officiële credits noemen Hog Hill Mill als thuishaven van de Off the Ground-sessies;
Gespecialiseerde sessiebronnen bevestigen dat de karakteristieke Latin-percussie van het nummer via een overdubsessie op 17 juli 1992 werd toegevoegd.
In de hitlijsten deed het nummer het stevig: nummer 18 in het VK, nummer 83 op de Amerikaanse Billboard Hot 100 en nummer 9 in Nederland.
Voor radio is de context heel bruikbaar: dit was de leidende single van een album waarop McCartney bewust met zijn toenmalige liveband werkte.
Een mooi productie-detail is juist die percussie: op de officiële albumcredits staan voor track 3 drie extra percussionisten vermeld, wat goed verklaart waarom het nummer dat open, ritmische karakter kreeg.
Later bleef het niet bij de studio-opname: een liveversie verscheen op Paul Is Live, waar het nummer als “Live in New York” is opgenomen.
Dit was “No Other Baby”, afkomstig van Run Devil Run. Het album verscheen op 4 oktober 1999; de single volgde officieel op 24 oktober 1999. McCartney nam het nummer op als cover van een lied van Dickie Bishop en Bob Watson, oorspronkelijk vastgelegd in 1957 door Dickie Bishop & His Sidekicks.
McCartneys versie werd geproduceerd door Paul McCartney en Chris Thomas en werd opgenomen op 5 maart 1999 in Studio Two van Abbey Road.
In het VK haalde de single nummer 42; in de geraadpleegde officiële UK/US/NL-overzichten is geen vergelijkbare US- of NL-hitnotering bevestigd.
De context is belangrijk: Run Devil Run was McCartneys bewuste terugkeer naar de rock-’n-roll van zijn jeugd, een project waarover hij op zijn officiële site ook zei dat hij het na Linda’s overlijden zag als een manier om weer naar zijn muzikale wortels te gaan.
Een sterke productiedetail hier is de bezetting: David Gilmour speelt gitaar en backing vocals op de opname.
Wie over de geschiedenis van het lied iets extra’s wil zeggen: vóór McCartney waren er al bekende vroege versies van The Vipers en Bobby Helms.
Dit was “The Lovers That Never Were”, uitgebracht op Off the Ground op 2 februari 1993.
Het nummer is geschreven door Paul McCartney en Declan MacManus, beter bekend als Elvis Costello, en werd geproduceerd door McCartney en Julian Mendelsohn.
Officiële Off the Ground-credits bevestigen dat het een van de Costello-samenwerkingen op dat album is; aanvullende trackbronnen plaatsen de opname in de sessieperiode van 9 december 1991 tot juli 1992.
Het nummer kwam niet uit als grote hitsingle in het VK, de VS of Nederland, maar het heeft wel een sterke ontstaansgeschiedenis.
Voor de heruitgave van Flowers in the Dirt in 2017 gaf McCartney zelf op zijn officiële site aan dat hij met Costello weer het oude, directe schrijversmodel zocht: twee akoestische gitaren, tegenover elkaar, zoals hij dat vroeger met Lennon kende.
Dat maakt dit een van de duidelijkste bruggen tussen McCartneys jaren-tachtig-samenwerking met Costello en zijn jaren-negentig-solowerk.
Een later belangrijk hoofdstuk is dat zowel de “Original Demo” als de “1988 Demo” van het lied officieel verschenen op 24 maart 2017 op Flowers in the Dirt (Archive Collection).
Dit was “Find My Way”, van McCartney III, officieel uitgebracht op 18 december 2020.
Het nummer is volledig geschreven en geproduceerd door Paul McCartney zelf. Officiële McCartney-bronnen plaatsen de opname in Sussex, tijdens de “Rockdown”-periode van 2020,
Het was onderdeel van een thuisgemaakt, echt solo-album waarop Paul het meeste zelf inspeelde.
Opvallend detail uit de officiële trackpagina: ondanks radio-airplay, een videoclip en later zelfs een GRAMMY-nominatie voor Best Rock Song bij de editie van 2022, werd “Find My Way” volgens McCartneys eigen site technisch gezien niet als formele single uitgebracht.
Dat maakt het een bijzondere moderne McCartney-track: veel zichtbaarheid, maar niet via het klassieke singelpad.
Voor een radiotekst is de oorsprong mooi compact: McCartney vertelde in interviews rond het album dat het idee begon toen hij in de auto een beat hoorde en daar spontaan overheen begon te zingen; thuis werkte hij het verder uit.
De eerste videoclip, uitgebracht bij het album, werd geregisseerd door Roman Coppola en gebruikte 46 camera’s om Paul op alle instrumenten tegelijk in beeld te brengen.
Later kreeg het nummer een nieuwe gedaante als “Find My Way (feat. Beck)” op McCartney III Imagined, verschenen op 16 april 2021, met een aparte video op 21 juli 2021.
En dat was The Beatles met “Hey Jude”, uitgebracht in augustus 1968. Het nummer werd geschreven door Paul McCartney, al staat het officieel op naam van Lennon-McCartney. Paul schreef het oorspronkelijk als “Hey Jules”, bedoeld als troost voor Julian Lennon, de jonge zoon van John en Cynthia, in de periode dat hun huwelijk stukliep.
De titel werd later “Hey Jude”, omdat dat beter zong. Het werd de eerste Beatles-single op Apple Records, met “Revolution” op de B-kant. Opvallend was vooral de lengte: ruim 7 minuten. Veel te lang voor een single, zou je denken, maar “Hey Jude” bewees het tegendeel. In Engeland stond het twee weken op nummer 1, in Amerika negen weken, en ook in Nederland haalde het de eerste plaats.
Een kleine anekdote: Paul twijfelde aan de regel “the movement you need is on your shoulder”, maar John Lennon vond juist dat die moest blijven. En zo bleef een bijna geschrapte zin onderdeel van een van de bekendste meezingers uit de popgeschiedenis.
En dat was Paul McCartney samen met Michael Jackson, met “Say Say Say” uit 1983. Het nummer verscheen op Pauls album Pipes of Peace, maar werd al eerder opgenomen, in de periode rond Tug of War. Daardoor kwam deze samenwerking eigenlijk vóór “The Girl Is Mine”, ook al hoorde het publiek die andere duet eerst.
Het nummer werd geschreven door Paul McCartney en Michael Jackson, geproduceerd door George Martin, en groeide uit tot een wereldhit. In Amerika haalde “Say Say Say” de eerste plaats, in Engeland kwam het tot nummer twee.
Een opvallend verhaal rond deze samenwerking: Paul vertelde Michael destijds veel over muziekrechten en publishing. Niet veel later kocht Michael Jackson de ATV-catalogus, waar ook veel Beatles-rechten in zaten. Dus achter dit vrolijke popduet zat later nog een flinke zakelijke schaduw. Maar muzikaal blijft het vooral: twee popiconen, één soepel refrein, en pure jaren tachtig-glans.
En dat was Paul McCartney & Wings met “Jet”, afkomstig van het album Band on the Run uit 1973. Dat album werd een van de grote successen uit Pauls periode na The Beatles, en “Jet” was een van de nummers die liet horen dat Wings veel meer was dan alleen “de band van die ex-Beatle”.
De titel heeft een typisch McCartney-verhaal. Lange tijd werd gezegd dat Jet de naam was van een zwarte labrador van Paul. Later vertelde hij ook dat Jet de naam was van een pony die hij had. Helemaal precies verklaren deed hij de tekst nooit, en misschien is dat juist de charme: het nummer klinkt groter dan de betekenis die je eraan probeert vast te pinnen.
“Jet” is strak, energiek en vol drive. Een echte Wings-rocker, met Paul duidelijk voorop: melodie, kracht en speelsheid in één nummer.
En dat was Paul McCartney & Wings met “Live and Let Die”, het titelnummer van de James Bond-film uit 1973. Paul schreef het samen met Linda McCartney, en voor de productie werkte hij opnieuw samen met George Martin, de man die natuurlijk ook zo belangrijk was geweest in de Beatles-jaren.
Het nummer past perfect bij Bond: rustig en dreigend aan het begin, daarna groots, explosief en filmisch. Geen standaard popsingle dus, maar bijna een complete actiescène in drie minuten.
“Live and Let Die” werd genomineerd voor een Oscar en groeide uit tot een van de bekendste Bond-thema’s ooit. In 1991 maakte Guns N’ Roses er een harde rockcover van, waardoor een nieuwe generatie het nummer leerde kennen. Paul vertelde later dat hij het mooi vond dat zij het deden, al moesten zijn kinderen op school uitleggen dat hun vader het origineel had geschreven.
En dat was Paul McCartney met “Down South”, afkomstig van zijn nieuwste album The Boys of Dungeon Lane uit 2026. Op dat album kijkt Paul nadrukkelijk terug naar zijn jeugd, zijn afkomst en de jaren vóór de wereldfaam.
“Down South” is een van die nummers waarin je niet de stadionster hoort, maar de jonge Paul: onderweg, zoekend, met een gitaar in de buurt en de toekomst nog helemaal open. Het lied verwijst naar herinneringen aan het hitchhiken met George Harrison, nog voordat The Beatles de wereld zouden veranderen.
Dat maakt “Down South” bijzonder. Niet omdat het een grote hitmachine is zoals “Jet” of “Live and Let Die”, maar omdat het voelt als een oude foto die ineens begint te zingen. Paul kijkt terug, maar niet zwaar. Meer met warmte, vriendschap en het besef dat sommige reizen pas later hun echte betekenis krijgen.
Dit was “Ac-Cent-Tchu-Ate the Positive”, uitgebracht op Kisses on the Bottom op 7 februari 2012.
Het is een cover van de standard van Harold Arlen en Johnny Mercer, en McCartneys versie werd geproduceerd door Tommy LiPuma.
Officiële albuminformatie zegt dat Kisses on the Bottom grotendeels werd opgenomen in Capitol Studios in Los Angeles, met aanvullende opnamen in New York en Londen gedurende 2011.
Trackcredits noemen op deze opname onder meer Diana Krall op piano, John Pizzarelli op gitaar, Robert Hurst op bas en Karriem Riggins op drums.
Als context is dit precies het soort lied waar McCartney op dat album naar terugging: standards waar hij mee opgroeide.
Een bruikbaar productie-detail voor op de radio is dat hij deze songs later in een intieme setting live vierde: de Capitol Studios-performance uit februari 2012 verscheen op 6 maart 2012 als iTunes Live from Capitol Studios en later opnieuw op 26 november 2012 binnen Kisses on the Bottom – Complete Kisses.
Wie nog één historisch zinnetje wil toevoegen: het oorspronkelijke lied uit 1944 werd breed gecoverd en groeide uit tot een echte standard, met vroege bekende versies van onder meer Johnny Mercer, Bing Crosby en The Andrews Sisters.
En met al deze nummers van Sir Paul McCartney zijn we aan het einde gekomen van deze aflevering van deDiscografievan…, de spin-off van deMuziekExperts live op BR6.
We hoorden Paul als soloartiest, als Beatle, als lid van Wings, als duetpartner van Michael Jackson, als schrijver van een James Bond-thema en als muzikant die ook op latere leeftijd bleef zoeken naar nieuwe vormen en oude inspiratiebronnen.
Dank voor het luisteren naar deze vijfde aflevering van deDiscografievan…. Meer informatie over deMuziekExperts, eerdere uitzendingen, playlists, fragmenten en alles rond het programma vind je op .
Volgende week zijn we er weer met een reguliere uitzending van deMuziekExperts. Dan is ook Piet weer terug, en hoor je ons zoals vertrouwd op dinsdagavond om 20:00 en zaterdagochtend om 11.00 uur. De volgende aflevering van ‘deDiscografievan…’ is op 28 juli. Wie er dan in de spotlights staat, houden we nog heel even geheim.
Voor nu: bedankt voor het luisteren, graag tot volgende week, en blijf vooral genieten van muziek met een verhaal.
Uitsluiting democratie en het gevaar van mensonwaardige politiek
00:00
00:00
Een week geleden ging het over taal, over woorden die niet alleen iets zeggen, maar ook iets aanrichten. Vandaag schuiven we een stukje verder op. Want achter grote woorden zit bijna altijd een grotere vraag: wie hoort erbij, wie mag meedoen, en wie wordt langzaam naar de rand van het verhaal geschreven?
Dat klinkt misschien zwaar, maar eigenlijk is het heel alledaags. Nederland is gebouwd op buren, scholen, winkels, voetbalclubs, kerken, moskeeën, muziekverenigingen, markten en verjaardagen met lauwe koffie en iemand die altijd te hard praat bij de kaasblokjes. Mensen leven door elkaar heen. Niet altijd perfect, zeker niet. Soms schuurt het, botst het en moppert men bij de brievenbus. Maar juist dat door elkaar heen leven is de normale staat van een land.
Daarom is het ook zo riskant wanneer politiek doet alsof een samenleving een gesloten clubhuis is, met een ledenlijst bij de deur. Natuurlijk mag je praten over grenzen, regels, opvang en aantallen. Dat moet zelfs. Een land zonder afspraken wordt een rommelzolder met een vlag erop. Maar afspraken zijn iets anders dan mensen wegzetten alsof ze per definitie minder recht hebben op rust, veiligheid en toekomst.
Wie roept dat Nederland alleen voor “echte Nederlanders” is, vergeet gemakshalve hoe gemengd onze geschiedenis altijd is geweest. Daarna zijn er nog vele Indonesiërs en Surinaamse donkere mensen binnengekomen, mensen die vaak volledig geïntegreerd zijn en al generaties lang hier wonen. Een deel daarvan heeft zich vermengd met Nederlanders die veelal als wit worden omschreven. Dus wat verstaan die ultrarechtsen, die vaak een dictatuur voorstaan, eigenlijk onder “echte Nederlanders”?
Daarbij komt dat enkelen onder hen, die “Nederland voor de Nederlanders” ook nog willen bewerkstelligen, daar wel geweld bij zouden willen gebruiken. Het lijkt soms hun enige hoofddoel. Daarom wil men de nog binnenkomende anderssoortige mensen er niet ook nog bij hebben. Als dit het enige was dat zij voorstaan, dan valt er misschien nog wel te praten over aantallen, opvang, grenzen en regels. Maar dan moet je wel menswaardige levensomstandigheden najagen en een goede toekomstige regulering afspreken met alle partijen, zoals dat gaat en moet in een democratie. Niet een hele groep discrimineren, zoals Arabieren of mensen die de islam aanhangen.
Laat staan dat je als klein landje meent te kunnen weten of achterhalen wie, buiten het bezitten van het Nederlandse paspoort, nog buitengezet kan worden zoals de dino in de Flintstones-strip. Dat is een aperte onmogelijkheid. Je kunt mensen niet behandelen alsof ze een verkeerd geparkeerde step zijn die je even naar een ander land verplaatst. Daar is men dan heel boos over geworden in die Tweede Kamer, maar beweer dan ook op goede gronden dat je niet zomaar mensen kunt uitsluiten. Waar moeten die allemaal dan gaan wonen? In andere landen?
Dat lijkt wel het kopiëren van de idiote uitspraken van de ultrarechtse, om niet te zeggen fascistische ministers in het Israëlische kabinet, die menen dat alle Palestijnen wel even in bijvoorbeeld Egypte kunnen gaan wonen. Zij menen al helemaal dat zij de waarheid in pacht hebben en dat Israël alleen aan hun eigen volk toebehoort. Ze mogen blij zijn, als overlevenden van een uitroeipoging door de Moffen, dat ze er nog zijn.
Waarom men dan anderen geen normaal leven gunt, zal ik nooit begrijpen. Net zo min als ik de ultrarechtse groeperingen begrijp in ons land, waarvan sommigen nog beweren dat de Holocaust een verzinsel is. Ik vind dat deze mensen goor zijn, en juist geen lef hebben om hun ongelijk toe te geven.