Soms heeft een samenleving de neiging om de toekomst te behandelen alsof het een bestelling is. Alsof je bij de balie kunt zeggen: doe mij maar wat meer zekerheid, een beetje economische groei, genoeg mensen voor later en graag alles vóór vrijdag geleverd. Het klinkt overzichtelijk, maar zo werkt een land natuurlijk niet. Een samenleving is geen voorraadkast waar je even telt hoeveel pakken rijst er nog staan.
Toch is het ergens ook begrijpelijk. Mensen willen houvast. Bestuurders willen vooruit kunnen kijken. Commentatoren willen iets roepen voordat iemand anders het roept. En burgers willen vooral weten of er straks nog iemand is die de boel draaiende houdt, van zorg tot onderwijs en van supermarkt tot trein. Dat zijn geen gekke zorgen. Een land zonder toekomstbeeld is tenslotte als een agenda zonder dagen: je kunt hem openslaan, maar je wordt er niet wijzer van.
Maar zodra toekomstdenken verandert in maakbaarheidsdrift, wordt het oppassen. Dan gaan mensen praten over de samenleving alsof het een fabriek is, en over burgers alsof zij productiemiddelen zijn. Terwijl een goede toekomst niet alleen ontstaat door aantallen, maar vooral door omstandigheden, vrijheid en menselijkheid.
Het is juni en dan gebeurt er minder in Nederland. Dan zie je in het nieuws, op tv en in de kranten, weer de juni-gerelateerde zaken opduiken die ieder jaar rond deze tijd terugkomen. Zoals het gedoe rond de eindexamens. Zenuwachtige kinderen, die best voldoende kennis hebben, kunnen deze twee weken soms niet aan en lopen dan misschien toch tegen een zak-uitslag op. Dat is elk jaar weer een klein nationaal drama, compleet met vlaggen, rugzakken en ouders die doen alsof zij zelf opnieuw wiskunde B hebben gemaakt.
Maar er speelt nog iets in die scholen. Er zijn namelijk steeds minder kinderen. In heel Europa worden er minder kinderen geboren dan de bekende 2,1 per gezin die nodig zijn om de bevolking ongeveer gelijk te houden. Dat vinden velen onder ons niet zo’n groot punt, omdat onze landen ondertussen toch al voller lijken te worden. We leven langer, blijven langer gezond en er komt hier en daar ook nog wat import bij, zoals men dat dan bestuurlijk noemt.
Maar om nu plots, of opnieuw, te gaan propageren dat we echt meer kinderen op deze toch al veel te volle wereld moeten zetten, gaat volgens ons veel te ver. Alsof je een volle tram instapt en dan roept: “Kan er nog een kinderwagen bij?” In de wijk van mijn dochter in Amsterdam zijn bijvoorbeeld twee basisscholen dichtgegaan. Dat klinkt meteen alsof de bevolking instort, maar daar zit een gewone verklaring achter. Mensen met kinderen verlaten de stad omdat ze elders groter en goedkoper kunnen wonen. Die kinderen verdwijnen dus niet uit Nederland, ze zitten gewoon op een andere school, in een andere plaats, met waarschijnlijk net zo’n gymzaal die naar rubbermatten en oude pepernoten ruikt.
Sommige landen, zoals Turkije, roepen intussen op om meer kinderen te maken en loven premies en voordelen uit. Dat klinkt daadkrachtig, maar het is vooral erg kortzichtig. Meer kinderen zijn geen beleidsknop waar je even op drukt. Een gezin is geen Excel-sheet met “doelstelling 2035” erboven.