Wie het woord cultuur hoort, denkt al snel aan grote theaters, musea in Amsterdam of een festival waarvoor je eerst een halve werkdag in de digitale wachtrij moet staan. Maar cultuur begint vaak veel dichter bij huis. Ook hier in Bodegraven-Reeuwijk.
We hebben het Evertshuis, met theater, film, muziek, cabaret en activiteiten waarbij ontmoeting minstens zo belangrijk is als de voorstelling zelf. We hebben de Huizen van Alles, verspreid over de dorpen, waar bewoners elkaar ontmoeten, activiteiten organiseren en vrijwilligers het verschil maken. En dan zijn er markten, exposities, muziekverenigingen, lokale evenementen en initiatieven die soms nauwelijks het etiket ‘cultuur’ krijgen, terwijl ze dat natuurlijk wel zijn.
Landelijk lijkt cultuur bepaald niet op sterven na dood. In 2024 bezocht 91 procent van de Nederlanders minstens één culturele activiteit en 68 procent beoefende zelf een vorm van kunst of erfgoed. Professionele podia trokken dat jaar ongeveer 23,5 miljoen bezoeken. Dat klinkt behoorlijk gezond.
Maar cijfers vertellen niet het hele verhaal.
Want wie naar cultuur gaat, waar die cultuur plaatsvindt en wie haar kan betalen, is niet gelijk verdeeld. Mensen met hogere inkomens en hogere opleidingen nemen gemiddeld vaker deel. Ook zijn er duidelijke regionale verschillen. En grote steden hebben vanzelfsprekend een aanbod waar een dorp of kleine gemeente nooit tegenop kan boksen.
Maar misschien hoeft dat ook helemaal niet.
De kracht van lokale cultuur zit juist niet in grootte. Ze zit in herkenning. In iemand op het podium die je kent van de supermarkt. In een expositie van een kunstenaar uit de streek. In een zaal waar dezelfde mensen die vorige week de stoelen klaarzetten, vanavond achter de bar staan. Dat klinkt misschien minder spectaculair dan Carré, maar maatschappelijk kan het minstens zo waardevol zijn.
Daar zit tegelijk de kwetsbaarheid. Veel lokale cultuur draait op vrijwilligers, betaalbare ruimtes, verenigingen en mensen die bereid zijn iets te organiseren zonder dat daar meteen een verdienmodel achter zit. Als zulke plekken verdwijnen, verdwijnt niet alleen een voorstelling of een cursus. Dan verdwijnt ook een ontmoetingsplek.
En cultuur heeft er een stevige concurrent bij. Niet een ander theater, maar het scherm in onze broekzak. We kunnen thuis onbeperkt muziek luisteren, films kijken en ons uren laten vermaken. Dat is makkelijk, goedkoop en altijd beschikbaar.
Toch is juist daarom lokale cultuur interessant. Een scherm kan veel, maar het kan geen dorpsplein vullen. Het kan geen applaus laten ontstaan in een zaal. Het kan geen onbekenden naast elkaar zetten die na afloop ineens hetzelfde gesprek voeren.
Dus hoe staat het met de hedendaagse cultuur?
Eigenlijk best goed. Maar ze vraagt onderhoud. Landelijk in beleid en bereikbaarheid, lokaal vooral in deelname. Cultuur blijft pas leven als we niet alleen kijken wat er wordt aangeboden, maar af en toe ook gewoon binnenstappen.
Want cultuur is uiteindelijk geen gebouw, subsidiepot of agenda.
Cultuur zijn wij.