Ze zeggen wel eens dat muziek vroeger beter was. Maar eerlijk: is dat niet vooral romantiek? Vroeger moest je eindeloos naar de platenzaak om een singletje te scoren, of met je cassetterecorder op de radio wachten tot dat ene nummer eindelijk voorbij kwam – en dan maar hopen dat de dj niet door de intro heen kletste. Vergelijk dat eens met nu: een paar tikken op je smartphone en je hebt miljoenen nummers in je broekzak. Nieuwe artiesten, nieuwe genres, alles is binnen handbereik. Het gemak van streaming, de kracht van digitale productie: muziek is nog nooit zo toegankelijk, veelzijdig en wereldwijd geweest als nu. Dus is het niet gewoon wishful thinking als mensen zeggen dat vroeger alles beter klonk?
En toch… er zat iets in die ouderwetse manier van muziek beleven dat we nu kwijt zijn. Muziek was schaars, kostbaar, iets waarvoor je moeite deed. Een singletje kopen betekende kiezen: je spaargeld investeren in dat ene nummer dat écht iets voor je betekende. Een elpee opzetten was een ritueel. Plaat uit de hoes, naald erop, en je luisterde niet alleen naar de muziek, maar ook naar de krakende ziel van vinyl.
Luisteren was een gebeurtenis. Je zat samen voor de radio, wachtend op de Top 40, of op dat ene programma waar de nieuwste plaat voorbij kwam. Als het voorbij was, was het voorbij. Geen replay, geen skip-knop. Dat maakte muziek magisch — omdat je het niet eindeloos kon herhalen. Je moest het grijpen in dat ene moment.
En de artiesten? Die werkten maanden in de studio, zonder de verleiding van autotune of AI-computers. Het resultaat was misschien niet perfect, maar wel echt. Muziek was een ambacht: bands die samen repeteerden in rokerige oefenruimtes, gitaren die vals konden staan, zangers die écht hun stem lieten kraken. Die oneffenheden, dát was karakter.
Vandaag scrollen we gedachteloos door playlists, muziek als achtergrondruis. Maar vroeger was het anders. Muziek was een belevenis, een schat. En misschien daarom — klonk het toen gewoon beter.