We zeggen graag dat kunst vooruit moet. Dat ze moet vernieuwen, verrassen, schuren. Maar eerlijk is eerlijk: we bedoelen dat meestal alleen zolang het ons niet te veel moeite kost. Zolang het herkenbaar blijft. Zolang we kunnen zeggen: ja hoor, snap ik.
Zodra kunst echt verandert, echt loskomt van wat we gewend zijn, wordt het ongemakkelijk. Dan noemen we het moeilijk. Of elitair. Of doen we alsof het een grap is die we niet willen begrijpen.
Vooruitgang klinkt mooi, maar vraagt iets van ons. Geduld. Aandacht. De bereidheid om niet meteen te oordelen. En dat is lastig in een tijd waarin alles snel moet, duidelijk moet zijn en vooral direct moet bevallen. Kunst die niet meteen werkt, wordt al snel aan de kant geschoven.
Toch is echte vernieuwing zelden comfortabel. Ze begint vaak met weerstand. Met onbegrip. Met de vraag: waarom zou dit kunst zijn?
Misschien zit de waarde van kunst niet in het antwoord, maar in die vraag zelf. In het moment waarop je even niet zeker weet wat je ziet. Waarop je moet blijven kijken, ook al wil je eigenlijk afhaken.
Misschien is kunst er niet om ons gerust te stellen, maar om ons wakker te houden.
Door een vorige column van mij over de evolutie van de onderbroek naar slip en draagveter in onze steeds modernere tijden wil ik het nu hebben over een vergelijkbaar verschijnsel in de kunst. Als voorbeeld en inspiratiebron neem ik graag een naamgenoot van mij. Het gaat hier om Piet Mondriaan, die leefde en werkte tussen 1872 en 1944. Hij werd 72 jaar en werkte in Nederland en Frankrijk aan zijn steeds veranderende oeuvre.
Piet werd schilder, geïnspireerd door oom Frits, die hem als tekenaar hielp bij zijn ontwikkeling in de schilderkunst. Piet schilderde eerst realistisch en maakte schilderijen van plekken langs de Amstel, toen hij als student in Amsterdam woonde op verschillende adressen. Zo had hij ook verschillende vriendinnen. Hij schilderde veel en goede portretten in opdracht om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Je kunt de werken van Piet Mondriaan in drie perioden rangschikken. Hij ging vanuit het realisme naar een Franse variant van het pointillisme en vervolgens naar het kubisme. Zo werd wat hij op doek zette steeds abstracter, waardoor hij wereldberoemd is geworden.
En natuurlijk door zijn keuze voor de drie primaire kleuren rood, blauw en geel, die heel bepalend waren en veel navolging kregen in artikelen die vooral na zijn dood terugkwamen in speelgoed, mode en meubelen.
Je moet maar durven, heb ik wel eens over hem gehoord, maar dat was het niet. Hij kwam daar op uit in zijn zoektocht naar verbeelding van de werkelijkheid.
Piet verhuisde tweemaal naar Parijs, in 1911 en 1919. Door de Eerste Wereldoorlog, toen hij tijdelijk in Nederland was, kon hij pas veel later weer naar Parijs terugkeren en werkte hij veel in Domburg in Zeeland, waar een kunstkolonie was met onder meer zijn vrouwelijke collega Jacoba van Heemskerck, die ik ook nogal bewonder.
Bekende werken in chronologische volgorde zijn: Molen bij zonlicht uit 1908, Stilleven met gemberpot uit 1912, Schilderij 1, met alleen twee zwarte strepen in een wit veld, en Victory Boogie Woogie, met opgeplakte papierdelen. U kunt ze opzoeken, want wij kunnen ze hier niet laten zien.
Er zijn drie musea in Nederland waar zijn werken te bewonderen zijn. In Amersfoort, zijn geboorteplaats, is het Huis Mondriaan. In Winterswijk, waar hij woonde toen zijn vader daar hoofd van een school werd, kunt u de Villa Mondriaan bezoeken. De grootste Mondriaan-verzameling is te zien in het Haagse Kunstmuseum. Ik wil eindigen met een voorstel om u echt eens onder te dompelen in zijn werk. Zelf vind ik de pointillistische werken met veel zachtere kleuren indrukwekkend en heb ik zo een reproductie in mijn huis hangen. De lijst was duurder dan de reproductie, wat bij het werk van Piet Mondriaan precies andersom is: deze moderne meester uit een nabij verleden.



